Lars Karmelk: Geduld is een trainingsvariabele
In dit artikel:
Triathloncoach Lars Karmelk stelt dat geduld een vaak onderschatte trainingsvariabele is. Nu het seizoen ten einde loopt en atleten nieuwe doelen en schema’s bepalen, benadrukt hij dat progressie niet volledig te plannen of af te dwingen is. Naast trainingsvolume, intensiteit, frequentie en herstel heeft het lichaam tijd nodig om zich aan nieuwe belasting aan te passen.
Atleten reageren verschillend op dezelfde trainingsprikkel. De snelheid van die aanpassing hangt onder meer samen met trainingsjaren, leeftijd, genetische aanleg, slaap, voeding, stress, blessureverleden, belastbaarheid en persoonlijkheid. Ook binnen één atleet ontwikkelen lichaamssystemen zich niet altijd even snel. Het cardiovasculaire systeem kan snel verbeteren, terwijl spieren, pezen en bindweefsel veel langer nodig hebben. Daardoor kan iemand zich conditioneel klaar voelen voor meer belasting, terwijl het lichaam als geheel nog niet sterk genoeg is. Te snel opschalen vergroot dan het risico op blessures of stagnatie.
Volgens Karmelk draait goede begeleiding daarom om consistente training en voortdurende evaluatie. Vooral in de eerste zes tot acht weken moet een coach onderzoeken hoe een atleet op een prikkel reageert, hoe goed het herstel verloopt en wat er gebeurt bij een verhoging van het volume. Op basis daarvan kan het schema worden aangepast. Niet iedere training hoeft overtuigend of sneller te zijn; belangrijker is of de belasting week na week, en uiteindelijk maanden of jaren, betrouwbaar kan worden uitgevoerd.
Objectieve gegevens zoals vermogen, tempo, hartslag, HRV, slaap en trainingsbelasting zijn nuttig, maar vertellen niet het volledige verhaal. De ervaring van de atleet is minstens zo belangrijk: hoe zwaar voelde de training, hoe is de energie, hoe wordt geslapen en is er motivatie om door te gaan? Een goede score kan een andere betekenis krijgen wanneer een sessie als een worsteling voelt of wanneer vermoeidheid al dagen aanhoudt. Omgekeerd kan een atleet te lang doorgaan omdat hij signalen van vermoeidheid onvoldoende herkent of omdat consistentie een doel op zichzelf is. Goede communicatie, observatie en doorvragen helpen de coach om data correct te interpreteren.
Karmelk illustreert dit met een 45-jarige triatleet wiens progressie stagneerde. De ambitieuze atleet trainde vaak aan de bovengrens van zijn zones en zocht voortdurend bevestiging in harde trainingen. De oplossing was niet nog intensiever trainen, maar juist maandenlang rustiger en specifieker werken. Door lagere intensiteit en meer tijd voor adaptatie verbeterde hij uiteindelijk zijn hele triathlon met een half uur. De vooruitgang kwam dus voort uit geduld en een andere trainingsaanpak, niet uit steeds harder trainen.
Een tweede voorbeeld betreft een Ironman-atleet die twee weken voor een wedstrijd een tegenvallende koppeltraining had. In plaats van in paniek te raken of zijn vorm alsnog te willen bewijzen, accepteerde hij dat zijn lichaam die dag minder gaf. Hij hield het volume aan, maar verlaagde de intensiteit. Twee weken later leverde hij op racedag een topprestatie. Volgens Karmelk laat dit zien dat één slechte training niets hoeft te zeggen over de uiteindelijke wedstrijdvorm.
Sommige atleten tonen zelden indrukwekkende trainingscijfers, maar zijn wel consequent, herstellen goed en bouwen langdurig op. Hun kracht blijkt pas tijdens wedstrijden, bijvoorbeeld door geduld en wedstrijdintelligentie. Daarom moeten coaches niet alleen vragen hoe snel een training was, maar ook hoe betrouwbaar iemand het proces volgt en welke signalen aangeven dat de volgende stap verantwoord is. Training is uiteindelijk de combinatie van belasting, herstel, adaptatie en tijd. Geduld is daarbij noodzakelijk voor zowel atleet als coach.
Vandaag Inside: Tijjani Reijnders baalt van enorme misser: 'Iets te veel power...'